In tijden van onzekerheid groeit de roep om controle, efficiëntie en beheersbaarheid. Ook het middenveld ontsnapt daar niet aan. Verenigingen, ziekenfondsen, sociale organisaties en burgerinitiatieven moeten efficiënter, transparanter en vooral goedkoper worden. Hun maatschappelijke waarde wordt steeds vaker beoordeeld met een boekhoudkundig oog gebaseerd op meetbare resultaten en economische rendabiliteit.
Uiteraard moeten maatschappelijke organisaties zich blijven aanpassen aan nieuwe uitdagingen, zich opnieuw uitvinden.
Niemand pleit voor stilstand of onaantastbare structuren. Maar achter dit debat schuilt een diepere vraag: wat gebeurt er wanneer een samenleving zichzelf steeds meer begrijpt als iets dat vooral beheerd moet worden?
Besturen hebben altijd een dubbele opdracht gehad, samengevat onder de noemer ‘beheer-zorg’.
Enerzijds is er het beheer van de samenleving: veiligheid, regelgeving, financiën, controle en organisatie. Dat beheer is noodzakelijk. Zonder structuur loopt een samenleving vast. Maar daarnaast is er ook een tweede opdracht: zorg dragen voor het samenleven zelf. Zorg voor mensen, voor verbondenheid, voor buurten waar mensen elkaar nog ontmoeten, voor plaatsen waar verschillen niet onmiddellijk uitmonden in wantrouwen of vijanddenken. Het gaat daarbij niet alleen om formele zorg, zoals ziekenhuizen, woonzorgcentra of assistentiewoningen. Het gaat om een bredere en gedeelde sociaal-maatschappelijke bezorgdheid.
Precies op dat snijpunt tussen beheer en zorg lag historisch de betekenis van het middenveld. Een samenleving leeft immers niet alleen van financiële markten en sturende overheden. Ze leeft ook van jeugdverenigingen, cultuurhuizen, mutualiteiten, vrijwilligerswerkingen, buurtinitiatieven en sociale organisaties. Van plekken waar mensen niet eerst klant, consument of dossier zijn, maar medemens.
Vandaag zien we echter hoe beleid — zeker bovenlokaal — steeds sterker opschuift richting beheer alleen. Alles moet meetbaar, controleerbaar en rendabel worden. De taal van de samenleving verandert ongemerkt: burgers worden klanten, zorg wordt een kost, organisaties worden afgerekend op output en efficiëntie. In die logica dreigt maatschappelijke waarde alleen nog zichtbaar te worden wanneer ze economisch meetbaar is.
Dat is geen toeval. In een neoliberale samenleving verschuift de aandacht geleidelijk van samenleven naar beheersen. Wat kwetsbaar, relationeel of moeilijk meetbaar is, komt onder druk te staan. Zelfs menselijke nabijheid moet vandaag vaak verantwoord worden in termen van efficiëntie, rendement of besparing.
Maar een samenleving is geen onderneming.
Wanneer middenveldorganisaties nog uitsluitend beoordeeld worden op efficiëntie en zichtbare resultaten (lees: zonder kosten voor de samenleving) dreigen we te vergeten waarom ze ooit ontstaan zijn: niet alleen om systemen te beheren, maar om mensen te dragen. Het middenveld produceert niet zomaar “diensten”. Het helpt een samenleving zichzelf bijeen te houden. Het creëert plaatsen waar mensen leren omgaan met verschil, verantwoordelijkheid opnemen en verbonden blijven met iets dat groter is dan zichzelf.
Wanneer die relationele ruimtes verdwijnen, ontstaat misschien een efficiënter systeem — maar tegelijk ook meer vereenzaming, wantrouwen en polarisatie. De grote paradox van deze tijd is misschien wel dat we steeds sterker inzetten op controle, terwijl net het relationele fundament van samenleven afbrokkelt.
Tijdens de coronaperiode werd dat even zichtbaar. Toen waren het niet alleen systemen die de samenleving overeind hielden, maar vooral warme netwerken van mensen die boodschappen deden voor elkaar, ouderen opbelden, mondmaskers naaiden of spontaan hulp organiseerden in buurten en verenigingen. Niet de markt hield toen de samenleving samen, maar de bezorgdheid van mensen voor elkaar.
De vraag is waarom we die ervaring zo snel opnieuw vergeten.
Misschien is dat vandaag de echte uitdaging. Niet alleen hoe organisaties zichzelf moeten heruitvinden, maar ook hoe we opnieuw ruimte maken voor die bezorgdheid, verbondenheid en menselijke nabijheid in een samenleving die steeds harder en individueler dreigt te worden.
Een samenleving leeft niet van beheer alleen. Ze leeft van mensen die zich betrokken blijven voelen op elkaar. Van plaatsen waar nog geluisterd wordt. Van buurten en organisaties waar zorg meer betekent dan administratie of efficiëntie.
Misschien is dat ook de blijvende betekenis van tradities zoals Rerum Novarum: de herinnering dat economie, beleid en samenleving uiteindelijk ten dienste moeten staan van het menselijke samenleven zelf.
De vraag is daarom niet alleen hoe we onze samenleving organiseren, maar vooral welke samenleving wij samen willen worden.